panel 2

Onlinestatistieken

Deze rubriek bevat statistische gegevens die niet in gedrukte vorm verschijnen, maar ook aanvullingen op bestaande statistische gegevens.

Specifieke tewerkstellingstypes (horeca en andere sectoren)

Laatste update: 07 Maart 2019

De multifunctionele aangifte (DmfA) bevat eveneens informatie over bepaalde specifieke tewerkstellingstypes (flexijobs in de Horeca en andere sectoren, “extra in de horeca”, studentenarbeid), die gekenmerkt worden als specifieke vormen van arbeid van "korte" duur. Specifiek voor de Horecasector worden deze tewerkstellingstypes in onderhavige statistiek tegenover de "gewone" tewerkstelling in die sector geplaatst.

Inleiding

Bij de invoering in het vierde kwartaal 2015 van het systeem van flexi-jobs en andere maatregelen in de horecasector, werden een aantal webstatistieken opgesteld om de tewerkstelling in de horeca beter in kaart te brengen met bijzondere aandacht voor alle specifieke tewerkstellingstypes die in deze sector voorkomen. De gebruikelijke variabelen als tewerkgestelde werknemer en arbeidsplaats op de laatste dag van het kwartaal zijn immers ontoereikend om een volledig beeld van deze bijzondere tewerkstellingstypes te schetsen.
Sinds het eerste kwartaal 2018 werd het systeem van flexi-jobs uitgebreid naar andere sectoren (de kleinhandel in levensmiddelen, bakkerijen, warenhuizen, kapperszaken en schoonheidszorgen).
als gevolg hiervan wordt deze webstatistiek uitgebreid naar andere sectoren en andere bijzondere tewerkstellingstypes. Over een aantal van deze types publiceren we al cijfers:

Op termijn komen nog andere specifieke tewerkstellingstypes aan bod. 

Naast de invoering in 2015 van de flexi-jobs, werden nog andere maatregelen genomen in de horeca naar aanleiding van de invoering van het geregistreerd kassasyteem. Daarom worden in de samenvattende tabel (tabel 8) specifiek voor de horecasector ook cijfers over de algemene tewerkstelling opgenomen.

Afbakening van de doelgroep

De selectie van de arbeidsbetrekkingen in het statistisch basisbestand (Statbase) gebeurt op basis van:

  • Voor de flexi-tewerkstelling: selectie op basis van de specifieke werknemerscodes vermeld in de DmfA-kwartaalaangifte.
  • Voor de algemene tewerkstelling horecasector: alle werknemerscodes (inclusief studenten) in het door de werkgever aangegeven Paritaire Comité voor de Horecasector (302 - overeenstemmend met de RSZ-werkgeverscategorieën 017 en 317)

De werknemers (inclusief studenten) die uitzendkantoren ter beschikking stellen van ondernemingen kunnen niet aan de paritaire comités van de gebruikers toegewezen worden. Voor de flexi-werknemers aangegeven door uitzendondernemingen kan vanaf 2018 dus niet meer bepaald worden of ze in de horeca of en andere sector worden tewerkgesteld. De gelegenheidswerknemers in de horeca (extra’s) kunnen nog steeds aan de horeca toegewezen worden, ook al worden ze tewerkgesteld via een uitzendonderneming.
Voor de gegevens m.b.t. de hoofdjob van de flexi-tewerkstelling ten slotte wordt een aparte statistische opvraging gebruikt, puur op basis van de registratie van flexi-tewerkstellingen in DmfA zonder verdere statistische verwerking (zie ook verder in het deel dat de verhouding tussen de verschillende benaderingen behandelt).
De statistische gegevens zijn gebaseerd op een foto van de administratieve gegevens ongeveer 5 maanden na het einde van het kwartaal tenzij anders aangegeven.

Algemeen methodologische inleiding

Traditioneel is de telling van het aantal arbeidsplaatsen en tewerkgestelde werknemers een momentopname op de laatste dag van het kwartaal. De meting van het arbeidsvolume in voltijdsequivalenten (vte) daarentegen is een meting gedurende het kwartaal. Dit betekent dat alle prestaties tijdens het kwartaal bijdragen tot het gemeten arbeidsvolume. De cijfers worden nadien verdeeld naar kenmerken van de (belangrijkste) werkgever of van de werknemer/arbeidsprestatie.
Voor meer info zie de basisconcepten bij de snelle ramingen van de tewerkstelling.
Op het einde van een kwartaal kan een werknemer meerdere arbeidsprestaties bij eenzelfde werkgever hebben, eventueel in verschillende tewerkstellingstypes (gewone tewerkstelling, gelegenheidswerknemer, flexi-job,…). Toch zal één werknemer bij één werkgever maar als één arbeidsplaats geteld worden. De arbeidsplaats wordt ingedeeld volgens de kenmerken van de belangrijkste arbeidsprestatie (waarbij voor gelijktijdige arbeidssituaties voltijdse prestaties als belangrijker beschouwd worden als deeltijdse, die op hun beurt als belangrijker gelden dan gelegenheids- of flexiprestaties, ...).
Op het einde van een kwartaal kan een werknemer ook meerdere arbeidsprestaties bij verschillende  werkgevers hebben. In de klassieke statistiek tellen deze als meerdere arbeidsplaatsen , maar als één tewerkgestelde werknemer. Hierdoor is het aantal personen dan ook steeds lager dan het aantal arbeidsplaatsen.

Impact op de cijfers m.b.t. speciale tewerkstellingstype in de horeca en andere sectoren

De horecasector bevat een aantal speciale vormen van arbeid van “korte” duur, die ook in een aantal andere sectoren mogelijk zijn : occasionele (gelegenheids-)arbeid (in de horeca doorgaans de “extra’s” genoemd) enerzijds en de flexi-jobs (sinds 2018 uitgebreid naar een aantal andere sectoren) anderzijds.
Op basis van de hierboven uitgelegde principes, de foto op een bepaald ogenblik en het terugbrengen van meerdere prestaties tot 1 arbeidsplaats/tewerkgestelde werknemer, bevatten de cijfers van het aantal arbeidsplaatsen/tewerkgestelde werknemers weinig werknemers van wie de hoofdjob tijdens een kwartaal ofwel een flexi-job ofwel een occasionele of “extra” is.
Om de specifieke tewerkstellingstypes beter in kaart te brengen zijn specifieke wijzen om te tellen noodzakelijk. Voor de statistiek over de flexi-jobs zal het aantal werknemers met een flexi-job geteld worden, onafhankelijk van hun hoofdjob tijdens hetzelfde kwartaal. Naast de specifieke benadering worden ook de cijfers vanuit de traditionele benadering voorgelegd, zodat de invloed van de specifieke tewerkstellingstypes op de globale tewerkstellingscijfers duidelijk wordt.

Gegevens over alle flexi-werknemers tijdens een kwartaal en hun tewerkstelling tijdens de referteperiode

Tabel 1: tewerkstelling in het refertekwartaal van de flexi-werknemer

Zoals in de methodologische inleiding uitgelegd, gebeurt de afbakening hier door alle personen te tellen die in het kwartaal met de specifieke werknemerscodes voor flexi-arbeid zijn aangegeven, ongeacht of er nog een andere tewerkstelling was.

Deze tabel bestaat uit drie delen:

  • Het eerste deel toont het aantal personen die als flexi-werknemer gewerkt hebben.
  • Aangezien de 4/5-regel in het refertekwartaal (T-3) geldt voor de totale tewerkstelling van een persoon (uitgezonderd deze bij de werkgever waar de flexi-activiteit uitgevoerd wordt in kwartaal T), kan een persoon bij verschillende werkgevers tewerkgesteld geweest zijn (meer informatie is terug te vinden in de instructies RSZ). Deze indeling wordt hier in het tweede gedeelte weergegeven.
  • Ten slotte is er een uitsplitsing van deze (eventueel verschillende) tewerkstellingen naar de activiteitstak (zie ook de opmerkingen bij tabel 3). Het totaal van het aantal naar activiteitstak is dus gelijk aan het aantal personen vermenigvuldigd met het aantal werkgevers waarbij ze gewerkt hebben.

Het feit dat er personen voorkomen voor wie geen activiteit is gevonden, komt vooral omdat ook gepensioneerden als flexi-werknemer kunnen werken.

In overeenstemming brengen van de specifieke benadering met de cijfers volgens de traditionele benadering

Op basis van de algemene (traditionele) principes in de algemene methodologische inleiding beschreven zijn er in het eerste kwartaal 2018 voor de flexi-tewerkstelling 2.976 tewerkgestelde werknemers (doorheen het kwartaal).
Het is dus duidelijk dat dit laatste niet kan dienen als een telling van het aantal personen die in een kwartaal als flexi-werknemer hebben gewerkt, om gegevens omtrent de "hoofdjob" van een flexi-werknemer te verzamelen of om vergelijkingen te maken met andere arbeidsvormen. Dit omdat de telling van de personen gebeurt op basis van de belangrijkste tewerkstelling in de loop van het kwartaal, en er in dat cijfer ook gepensioneerden voorkomen die in de traditionele telling niet meegeteld worden.
Voor de vergelijking met andere arbeidsvormen gebruiken we daarom de notie “arbeidsplaats”.
De tabel hieronder brengt de beide benaderingen samen en illustreert hoe ze zich tot elkaar verhouden:

Type statistische benadering  benaming  Betekenis     Kwartaal van tewerkstelling als flexi-werknemer 
2018/1
Beschikbare gegevens     
specifiek aantal flexi-werknemers

Aantal personen dat gedurende het kwartaal als flexi-werknemer hebben gewerkt

A 31.305
traditioneel

aantal personen tewerkgesteld als flexi-werknemer

Aantal personen met een flexitewerkstelling als hun belangrijkste tewerkstelling in de loop van het kwartaal B 2.976
Afgeleide gegevens uit beide benaderingen     
           aantal personen die als flexi-werknemer hebben gewerkt in de loop van het kwartaal, maar van wie de hoofdtewerkstelling geen flexi-job was of die gepensioneerd waren. A-B 28.329

 

Tabellen flexi-jobs (horeca en andere) en “extra in de horeca” (arbeidsplaatsen)

Deze tabellen worden opgesteld op basis van de gewone principes die voor het opmaken van globale statistieken gelden. Ter herinnering: het gaat hier om een telling van arbeidsplaatsen, m.a.w. van het aantal unieke relaties "werkgever - werknemer".

  • Zoals eerder gezegd, heeft de telling van het aantal arbeidsplaatsen betrekking op de belangrijkste tewerkstelling bij eenzelfde werkgever. Voor een werknemer die in de loop van een kwartaal als "gewone" werknemer én als flexi-werknemer werd tewerkgesteld, zal meestal de arbeidsplaats bij het "gewone stelsel" worden geteld. Dit verklaart het verschil in de telling met tabel 1, die de tewerkstelling in het refertekwartaal als onderwerp heeft, en gebaseerd is op alle personen die als flexi-werknemer hebben gewerkt.
  • De telling van het aantal arbeidsplaatsen is een telling doorheen het kwartaal (Ter herinnering: de klassieke RSZ-statistieken zijn steeds een telling “einde kwartaal”) om te vermijden dat korte tewerkstellingen op bepaalde dagen niet meegeteld worden. Elke werknemer die tijdens het kwartaal minstens één dag bij een werkgever heeft gewerkt, telt als 1 arbeidsplaats ongeacht het aantal dagen of periodes die hij/zij er heeft gepresteerd.
  • De hier vermelde lonen voor de “extra’s” (gelegenheidswerknemers) zijn de forfaitaire lonen die als basis dienen voor de berekening van de bijdragen.

Tabel 2: naar leeftijd

Het is een indeling op basis de leeftijd van de werknemer op het einde van het kwartaal van telling. Er zijn verder geen extra aandachtspunten dan wat hierboven al is aangehaald.

Tabel 3: naar activiteitstak

De afbakening gebeurt op basis van de NACE-bel-code. Een werkgever kan maar één NACE-code toegekend krijgen, die van de hoofdactiviteit. Dit verklaart het bestaan van de categorie “andere sectoren (horeca)” Dit zijn werkgevers met een (NACE-) hoofdactiviteit buiten de horecasector, maar met daarnaast ook een horeca-activiteit met flexitewerkstelling.
Bovendien worden degenen die werken via interimarbeid ook opgenomen onder de NACE-code van dit type tewerkstelling en niet van de sector van de gebruiker (vanaf het eerste kwartaal 2018 is er flexitewerkstelling via interim zowel in de horeca als in de andere sectoren. Er kan hier geen onderscheid gemaakt worden tussen horeca en andere).
Voor de flexitewerkstelling binnen de horecasector is er een meer gedetailleerde opdeling op niveau van de subklasse (5e positie van de NACE-code).

Tabel 4: naar plaats van tewerkstelling

Hier betreft het de echte plaats van tewerkstelling of (o.m. in het geval van de uitzendondernemingen of cateringbedrijven) de plaats van waaruit de werknemers uitgezonden worden. De gegevens zijn opgesteld op basis van de vestiging zoals vermeld door de werkgever, zonder de correcties zoals toegepast in de publicaties van gedecentraliseerde statistieken van de RSZ. De klasse “onbekenden” duidt op ontbrekende of foutieve vestigingsnummers in de aangifte van de werkgevers.

Tabel 5: naar dimensieklasse van de onderneming

De indeling gebeurt op basis van de totale tewerkstelling van de onderneming op het einde van het kwartaal. Grote ondernemingen zullen vooral uitzendondernemingen zijn.

Tabellen met betrekking tot studentenarbeid in de Horecasector

De volgende twee tabellen zijn opgemaakt op basis van een aparte statistische opvraging (zie ook onder “afbakening van de doelgroep” hierboven).

Tabel 6: Studentenarbeid in de Horecasector (arbeidsplaatsen)

Tabel 6 is een tabel op basis van kwartaalgegevens.

  • Het betreft hier een telling van arbeidsplaatsen (arbeidsrelatie werkgever-werknemer tijdens het kwartaal).
  • Het is een tijdsreeks die dezelfde kwartalen vergelijkt over een aantal jaren heen. Dit is voornamelijk ingegeven door het feit dat studentenarbeid nog altijd vooral gekoppeld is aan vakantieperiodes, waardoor opeenvolgende kwartalen vergelijken niet relevant is.
  • Het is belangrijk in het achterhoofd te houden dat de stijging van de tewerkstelling (ook) beïnvloed is door de wijzigende regelgeving in de studentenarbeid.

Tabel 7: Studentenarbeid in de Horecasector (personen)

Tabel 7 is een tabel op basis van jaargegevens.

  • Het betreft hier een telling van personen (werknemers, maar losgekoppeld van hun arbeidsrelatie).
  • Hier is het relevant het aantal gewerkte uren (tot 2016 het aantal dagen) in het jaar in de sector te tellen.

Globale tewerkstellingsgegevens (arbeidsplaatsen)

Tabel 8: globale tewerkstellingsgegevens (arbeidsplaatsen)

Tabel 8 is een samenvattende tabel: hij is grotendeels een herneming van een aantal tewerkstellingsgegevens uit de andere tabellen, opgesplitst naar een aantal tewerkstellingsvormen (statuten), aangevuld met gegevens over de reguliere tewerkstelling in de horeca.

  • Er kan voor de studenten geen voltijdsequivalent berekend worden door de beperkte informatie op de DmfA-aangifte van deze categorie.
  • Voor voltijdse werknemers  van het "gewoon stelsel" in de horeca worden, net zoals voor deeltijdse werknemers, zowel dagen als uren opgegeven. Het hier opgenomen aantal dagen werd herberekend op basis van de aangegeven uren met inbegrip van de bijdragen vrijgestelde overuren en rekening houdend met de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur.
  • We willen er ten slotte nog aan herinneren dat de gewone tewerkstelling in de horecasector functies bevat waarvan de bijdragen berekend worden op forfaitaire lonen.
^ Back to Top